Botervloot

13 mei 2001

Geschreven in de tijd dat ik de privacy van mijn familie nog belangrijk vond. Het is een mengeling van gebeurtenissen uit het kindertehuis, en die botervloot die ik koos voor mijn moeder.

“Zondag is het moederdag”, zegt Jeltje gretig.
“Wat is dat?” vraag ik haar.
“Weet je dat dan niet? Dan krijgen alle memmen een cadeautje.”
“Oh,” zeg ik ongeïnteresseerd, wat kunnen mij cadeautjes nou schelen.
“Jij moet ook wat voor mem kopen, Appeltje.”
“Waarom, ze is mijn mem niet eens”, zeg ik terwijl ik het kalverhok in loop.
Hard trek ik de deur voor Jeltjes neus dicht.
Ik wil haar niet in mijn buurt nu.
Als ik op in de deuropening naar buiten sta te kijken naar de kalveren, komt
de boer binnen met Jeltje en Sietse. “Appeltje, zondag is het moederdag, dan
moeten we iets kopen voor mem.”
Ik kijk naar de grond, dit onderons gedoe bevalt me niets, ik hoor er
helemaal niet bij.
“Weet jij iets wat we mem kunnen geven?” gaat de boer verder in een toch wat
poezelig stemmetje wat ik niet vertrouw.
Er schiet me echter direct iets te binnen wat de boerin wel kan gebruiken
volgens mij. Maar ik durf het niet te zeggen, het vast iets heel stoms.
Misschien gebruiken ze zulke dingen niet op de boerderij.
Vanmorgen met brood eten nog, een pakje margarine lag te smelten op tafel in
zijn papiertje.
“Een botervloot”, zeg ik ineens, “in het kindertehuis hebben ze die ook.”
“Hadden, Appeltje, dat hadden ze. Je bent nu hier, alles van het tehuis moet
je vergeten.” Ik kijk de boer even aan. Vergeten? Het was er heel leuk, hoe
kan ik dat vergeten?
Woensdagmiddag krijg ik twee guldens mee om een botervloot te gaan kopen.
Opgetogen, omdat de boer er niet kwaad om werd dat ik het had gezegd, fiets
ik door de herenweg naar Jonker.
Beneden liggen tapijten, en overalls. Boven is speelgoed en keukenspul.
Ik loop wat door de speelgoedafdeling. Een plastik koe blijft me boeien. Dat
wil ik wel hebben. Even verderop ligt een heel klein popje, zo klein dat ik
hem in mijn hand kan stoppen en niemand het ziet, dan kan hij ook wel in mijn
zak. En daar, die tol, die wil ik ook wel, en die kleurpotloden, en dat
plakboek. En kijk, daar! Dat kleine rode autootje, die wil ik. Als ik hem in
mijn hand neem en er mee over de grond rij roept ineens de hele dikke mevrouw
met haar hoofd boven de trap uit: “Van wie ben jij d’r één?”
Opgeschrikt uit mijn autorace duurt het even voor ik besef wat ze me vroeg.
“Van de boerderij, mevrouw”, zeg ik betrapt.
“Wat moet je hebben?”
“Een botervloot, mevrouw,” antwoord ik, “zo één die niet kapot kan.” Want ik
denk aan de lompheid van de boerin.
Als de dikke mevrouw de kant op wijst waar de botervloten staan steek ik snel
het autootje in mijn andere zak. Daar wil ik vanavond mee spelen, in bed. Als
het donker is zet ik het poppetje erin, en rij terug langs de smildervaart
naar het kindertehuis.
De mevrouw pakt de metalen botervloot in, en ik betaal de twee gulden.
“Heb je verder niets?” vraagt ze me wantrouwig aankijkend.
“Nee”, antwoord ik glashard, en sla op mijn zakken alsof dat iets uitmaakt.
“Dan is het goed. Ben je allang op de boerderij?”
“Nog niet zo lang, mevrouw”, antwoord ik beleefd en loop de winkel uit. Straks
ziet ze toch het autootje en het poppetje.
Ik spring op het blauwe fietsje en sprint naar de boerderij. Onderweg stop ik
een keer om te voelen of mijn speeltjes nog wel in mijn zak zitten. En dan voel
ik er nog even aan. Ik heb nog nooit zelf een speeltje uit mogen zoeken, altijd
kreeg ik van die stomme knuffels. Dit zijn mijn grote schatten, en de boerin mag
ze niet vinden.
Vier avonden lang speel ik blij met mijn autootje waar ik het poppetje inzet, en
dan rij ik het autootje ver weg van de boerderij, en laat ik het poppetje dansen.
Vier avonden lang, vier heerlijke avonden.
Tot het zondag is, moederdag.
Het brood ligt op tafel, net als het pakje margarine. Er staat een pot bebogeen,
kunsthoning en gekleurde muisjes. Daarnaast ligt een pakje roomboter, en een stuk
kaas. Dat is voor de boer, daar mogen wij niet aan komen.
Het zoete beleg lust ik niet, het liefst at ik het brood droog, maar dat mag niet.
Ik moet er beleg tussen doen. “Je zult hier alles eten”, zegt de boer altijd als
ik iets niet lekker vind.
Als de boerin aan tafel komt met de kan melk pak ik snel het zeefje om mijn melk
gezeefd te krijgen. Gelukkig lust de boer zelf ook geen vellen, en mag ik mijn
melk zeven. Ook het vliesje er bovenop doet mij altijd griezelen.
Als iedereen zit geef ik haar het cadeautje. Het liefst had ik het Jeltje willen
laten doen, maar dat mag niet, ik moest het doen van de boer.
De boerin zegt niets, en pakt het ongeduldig uit.
“Een botervloot?” is haar eerste reactie. Ze kijkt me aan. “Hoe kun je zoiets
bedenken! Een botervloot, is het hier soms te min dat de boter in een pakje zit.
Was je soms liever in het tehuis gebleven, was daar soms alles beter dan hier?”
Haar gezicht loopt rood aan. Ze foetert maar door.
Ik zie het vliesje op mijn melk steeds dikker worden, mijn maag begint te draaien.
Helemaal vuurrood geworden staat ze op, gooit de botervloot op de grond en gaat er
bovenop staan. “Wie denk je wel dat je hier bent. Jij komt hier niet vertellen hoe
het hoort.” En meteen krijg een verschrikkelijke harde klap op mijn oor.
“De keuken uit, lelijk ding, ga mijn keuken uit!” kermt ze.
Angstig loop ik de keuken uit en blijf in de bijkeuken staan. Ik weet niet wat ik
moet doen. Ik weet niet wat ik mag doen. Ik blaas belletjes van spuug op mijn tong,
zoals altijd als ik bang ben.
Had ik nu mijn autootje maar bij me, dan ging ik naar het kindertehuis.
Daar zouden ze blij zijn met een botervloot.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Jonge jaren en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op Botervloot

  1. bentenge zegt:

    Sjonge. Echt.Ik dacht nog iets te schrijven over het woord memmen maar laat het maar.

  2. Rebbeltje zegt:

    Jeetje wat een verhaal
    Hoe weet je dan ook dat je wel iets goeds kan doen pfffttt
    Groetjes

  3. Appelvrouw zegt:

    – Bentenge,
    Ha… jouw memmenverhaal zal vast heel wat beters te bieden hebben.

    – Rebbeltje,
    Dat mens was mijn moeder in het echt. En ik heb nooit iets goeds bij haar kunnen doen.
    Maar zij ook niet bij mij, ik had denk ik al voordat ik geboren ben een hekel aan haar een hekel die wederzijds was en die altijd is gebleven. vanaf mijn 16e heb ik mijn ouders niet meer gezien, en dat is maar goed ook. Nu zijn ze dood en dat is ook goed.

  4. Jokezelf zegt:

    Wat schrijf jij toch goed!

  5. Appelvrouw zegt:

    – Verhaallichtjes,
    dat vind ik ook van de verhalen die ik over de boerderij (ouderlijk huis) schreef.
    Maar gelukkig zie ik het allang zo: van iets lelijks heb ik iets moois gemaakt (het verhaal).

    – Joke,
    Dat was lang geleden he, van die schrijfkracht heb ik weinig meer over, omdat ik meer in het nu leef en veel mensen om me heen zodat ik weinig in mezelf gekeerd kan zijn.

  6. EJW zegt:

    Zeker goed geschreven. Ik heb ook een paar van dit soort mensen meegemaakt. Als kind in het ziekenhuis en op school maar dat is zeker niet te vergelijken met wat jij meegemaakt hebt.

  7. Appelvrouw zegt:

    EJW, Je kunt ook geen kindermishandeling vergelijken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s