In 2000 geschreven
“Appeltje, we nemen je vandaag mee naar Apeldoorn,” zegt Afke glunderend.
“Aapjes, aapjes, Ape-je,” zegt dochtertje Maike blij.
Ik zit mat voor me uit te kijken.
De mensen willen zich niet zo machteloos voelen, ze denken dat ze mij een plezier doen door me mee te nemen, me de wereld in te rijden. De enge grote wereld waarin iedereen valide lijkt en ik steeds weer geconfronteerd word met mijn niets kunnen.
Liever blijf ik rustig in het blauwe huis.
De slaapkracht sloopt mijn leven.
Met de grootste moeite sjort ze me in haar cliootje. Ik zit beroerd maar durf niet te vragen me beter te zetten.
Het hele roteind naar Apeldoorn voor een paar aapjes.
Het is een bloedhete dag.
Maike huppelt rond, ze is opgetogen, zij zal voor het eerst van haar leven echte aapjes zien.
Ik worstel tegen de slaap, de helft van de tijd zit ik met m’n ogen dicht, ik kan niet meer.
Maar wat moet ik dan, had ik in de auto moeten blijven?
Hoe zeg je tegen iemand die zo graag iets voor je wil doen dat je niet wilt, dat je rust wilt, dat je wilt slapen, alleen maar slapen omdat de slaap mij wil hebben.
Afke zegt ook niet veel. Ik ben bang dat ik bij het minste of geringste wat zij zal zeggen chagrijnig reageer.
Er is nergens een aap te bekennen.
Ze hebben zich verscholen in de bomen, vermoed ik, vanwege de hitte.
We drinken wat.
Maike klaagt tegen me dat er helemaal geen aapjes zijn, ze jengelt en hangt tegen me aan. En ik begrijp het lieve kind wel. Ze wil op mijn schoot, ze is ook een beetje moe, en Afke kan niet twee buggy’s tegelijk duwen.
Ik kan haar niet goed hebben, het doet pijn, maar ik kan haar niet weerstaan.
Ik streel met mijn hoofd even tegen haar hoofd.
En net als ik dat doe zie ik een klein aapje tevoorschijn komen. Hij loopt naar mij toe.
Maike vindt het griezelig.
Het aapje klimt op de armsteun. Maike gilt zachtjes, “Ape-je, Ape-je.”
“Blijf maar stil zitten, heel stil,” zeg ik zacht tegen haar, ” hij is nieuwsgierig, hij vindt jou leuk, wees maar niet bang, ik ben dichtbij je.”
Even blijft ze inderdaad heel stil zitten maar huilt dan toch om mama.
Afke tilt haar voorzichtig van m’n schoot, wat ik wel fijn vind want het was bijna ondragelijk zwaar.
Er verzamelen zich steeds meer aapjes rondom ons, maar ook mensen. Eindelijk krijgen ze de aapjes te zien.
Overal zitten die beesten, er kruipt er één nieuwsgierig op m’n schoot, ik vind het vies. Straks zit ik onder de vlooien!
Maar erger nog vind ik al die mensen.
En al die mensen fotograferen, want wat is er mooier dan een aapje op een rolstoel.
Dankbaar maken ze gebruik van dit tafereel.
Het liefst zou ik me willen verstoppen onder mijn lange wijde zomerjurk.









